Bouwen in de stad is omgekeerde architectuur. Het is denken over wat er niet is, over wat je openlaat.
De leegte, het buiten, de open ruimte, de openbare ruimte is het eigenlijke binnen van de stad.
De stationsomgeving is zowat het meest metropolitane stukje Antwerpen. Een keten van (semi)publieke leegtes op verschillende niveaus geeft het gebied een boeiende schaal en verleent het zijn identiteit. De stad is hier verbonden met de wereld; door middel van TGV's,premetro's, diamanten, hotels, een eigen gecontesteerd flardje Brussel Noord, middels pendelaars en toeristen, door geplande congrescentra, dankzij de Zoo...
De ontwerpopdracht voor een nieuwe fuifzaal voor 1000 personen in de bestaande spoorberm past voor ons in deze logica: een nieuwe genereuze casco leegte.
De bestaande ruimte is een cadeau. Een restruimte onder en boven de sporen.
De ruimte ademt letterlijk en figuurlijk 'underground'
Ze trilt, ze ruikt en ze zindert. Rauwheid is haar grootste kwaliteit.
De onontgonnen rauwheid van deze ruimte staat in fel contrast met de verfijning en detaillering, die het 19e-eeuwse station en de spoorberm kenmerken.
Het definiëren van een leegte impliceert het bepalen van de grenzen ervan, om te kijken wie er binnen en buiten mag, om te sturen hoeveel lucht er dient te worden ververst, om te verhinderen dat er geluid aan ontsnapt.
Wat nog nodig is, wordt ontworpen, verdicht en gebundeld.Wat er al is, blijft onaangeroerd.
Zoveel mogelijk zo weinig mogelijk doen.
De twee randen van de ruimte worden opgedikt tot telkens één travee, een dikke grens, een container.
De randen krijgen twee niveaus, het programma wordt waar mogelijk gestapeld om zoveel mogelijk ruimte te vrijwaren.
De ene rand is publiek, de andere meer privé.
De fuifzaal krijgt twee gezichten.
De twee buitengevels worden opgebouwd uit een plint in gekloven betonsteen, een fries in gladde betonsteen die techieken en raamopeningen laat doorschemeren en de bestaande betonbalk. De gevels krijgen een klassieke geleding, opgebouwd uit goedkoop materiaal, in aansluiting bij de verfijnde tectoniek van de spoorwegberm.